Het hele verhaal

Home

Het was januari 1970 toen ik als 25 jarige jongeman bij het gevangeniswezen in dienst trad als gevangenbewaarder.ik heb zo’n 25 jaar in het Huis van Bewaring in Den Bosch gewerkt, afgekort H.V.B.

Vaak denk ik terug aan die toch wel bijzonder periode uit mijn leven en vind het nu jammer dat ik indertijd geen dagboek heb bijgehouden van alle markante dingen uit die periode. Over een aantal jaren is er niemand meer die er toen gewerkt heeft en die er nog wat over kan vertellen. Vandaar deze korte autobiografie van een cipier in de jaren ’70

Inleiding

Het was januari 1970 toen ik als 25 jarige jongeman bij het gevangeniswezen in dienst trad als gevangenbewaarder. De sollicitatie naar de baan van gevangenbewaarder was schriftelijk bij het gevangeniswezen in Den Haag. Na enige tijd kreeg ik een oproep van het Centraal Wervings en Opleidingsinstituut (C.W.O.I) in Den Haag voor een mondelinge en schriftelijke test. Als de uitslag van deze testen positief waren, kwam er een uitnodiging van de directie van het H.V.B. waarvoor je had gesolliciteerd. Er was dan een commissie (in mijn geval de directeur en de huismeester) die na het gesprek in beraad gingen en je dan wel of niet geschikt achtten voor de baan. De eerste dienstopdracht die ik kreeg was dienstkleding gaan passen en halen in de gevangenis in Scheveningen uit het centraal magazijn. Op de zolder aldaar hing en lag het vol met oude en gedragen uniformkleding van bewaarders die met pensioen of dood waren. Na wat passen kreeg je de voorgeschreven kleding en hoeveelheid mee in een oude koffer, die waarschijnlijk ook ooit met kleding was ingeleverd. De andere dag kon ik in uniform mijn  eerste werkdag in het H.V.B. in ’s Hertogenbosch gaan maken, werkzaam als bewaarder.Ik heb zo’n 25 jaar in het Huis van Bewaring in Den Bosch gewerkt, afgekort H.V.B.

De opleiding
Het behoorde vanaf toen onder andere tot mijn taak om gezag over andere mensen te hebben. Het uitoefenen van gezag over gedetineerden uit verschillende milieus die tegen hun wil onder strenge regels zijn samengebracht… Nou ga er maar aanstaan als 25 jarig broekie. Het is maar goed dat je de eerste maanden onder begeleiding van een mentor loopt, en stap voor stap het bewaardersvak leert. Ook moest je regelmatig een aantal weken in opleiding op het opleidingsinstituut in Den Haag. Je verbleef dan intern op de slaapzolder in de gevangenis te Scheveningen. Later tijdens de opleiding hoefde je niet meer intern te blijven maar kon je ’s avonds naar huis of naar je hotel. De eerste opleiding voor de basiscursus en het diploma A duurde twee jaar. Deze opleiding bestond uit 50% cursus en 50% dienst in het H.V.B. De opleiding bekleedde de volgende vakken:

  • Rechterlijke organisatie
  • Beginselenwet, gevangenismaatregel
  • Organisatie
  • Regiem
  • Differentiatie, selectie, reclassering
  • Beveiliging, wapenkennis, ordehandhaving

Zakken voor de opleiding betekende eerst een herkansing. Deze werd beoordeelt, en als die negatief was volgde een proeftijd die uitmondde in ontslag. Dat er collega’s op die gronden zijn ontslagen is mij vanuit het H.V.B. ’s Hertogenbosch niet bekend. Verder leren was mogelijk en je kon het diploma B gaan halen. Dit duurde ook zo’n twee jaar waarin je met regelmaat een aantal weken naar het opleidingsinstituut moest. Ook hier was er sprake van 50% opleiding en 50% dienst in het H.V.B.

De vakken waren onder andere:

  • Penitentiaire kennis
  • Bejegening
  • Staatsinrichting
  • Sociologie
  • Maatschappijleer
  • Achtergronden van crimineel gedrag
  • Sociale oriëntering
  • Nederlandse taal

Tussen de cursussen door had je uiteraard gewoon je diensten in het H.V.B..Huiswerk deed je thuis of tijdens je nachtdienst. Na het behalen van het vakdiploma B was er nog de ‘’kader’’opleiding. Hiervoor moest je solliciteren naar de functie van hoofdbewaarder. Als de directie van mening was dat je geschikt was voor die functie kon je gaan deelnemen aan die opleiding. Zelf solliciteerde ik in 1985 naar de functie van hoofdbewaarder, waarin ik werd benoemd. Inmiddels was ik ook geslaagd voor de ‘’kader’’opleiding.

Huis van Bewaring

Allereerst wil ik ophelderen wat het verschil is tussen een Huis van Bewaring (HVB) een gevangenis.

Een huis van bewaring is een cellencomplex waar mensen geen , gevangenisstraf maar hechtenis ondergaan. In een huis van bewaring verblijven verschillende soorten verdachten bij elkaar in één complex. Omdat nog niet zeker is wat iemand heeft gedaan, houdt men het regime streng. Witteboordencriminelen, geweldplegers, drugsdealers en overtreders verblijven bij elkaar. Het regime is sober, terwijl de voorlopig gehechten vaak in een depressie verkeren door de schok van hun arrestatie. De meeste kritiek op het Nederlandse gevangeniswezen betreft dan ook de huizen van bewaring. In een huis van bewaring verblijven dus verschillende typen van gedetineerden. Vaak zijn het verdachten van een misdrijf die in afwachting zijn van veroordeling of vrijspraak. Deze categorie is naar de letter van de wet op dat moment onschuldig totdat de rechter eventueel anders oordeelt en verblijft in preventieve hechtenis. Wanneer ze worden veroordeeld tot een gevangenisstraf worden zij meestal overgebracht naar een gevangenis. Veroordeelden van een misdrijf zitten hun straf uit in een huis van bewaring als de die relatief kort is of als er plaatsgebrek is in een gevangenis. In afwachting van een plaats in een tbs-kliniek verblijven ook Tbs-veroordeelden hier, evenals personen die tot hechtenis zijn veroordeeld omdat zij bijvoorbeeld een boete niet hebben betaald. Vreemdelingen die zijn opgepakt omdat ze illegaal in Nederland verblijven kunnen eveneens in een huis van bewaring worden ondergebracht.

Personeel

Het personeel in het HVB waar ik heb gewerkt bestond uit; bewakingspersoneel, administratief personeel, medewerkers van de arbeid, zoals kok en maatschappelijk werker (deze laatste werd in de 70er jaren nog aangeduid als sociaal ambtenaar). Dan was er een medische dienst, een pater en een dominee en een onderwijzer. De technische dienst bestond in die tijd maar 1 persoon die van alle markten thuis was. Hij zorgde voor de verwarming, verlichting en hij repareerde alles. Hij maakte bijvoorbeeld van een oude leren riem allemaal kleine riempjes die dienst deden voor het samenstellen van sleutelbossen. De riempjes veroorzaakten geen slijtage aan de sleutels (toen al werd er bezuinigd).

Kortom, iedereen had zijn taak. De grootste groep waren de bewaarders. In de jaren 70 was dat ongeveer 36 man. In totaal was er een personeelsbestand van zo’n 100 man en zo’n 200 gedetineerden in huis. De directeur was de baas in huis, maar hij pleegde over het algemeen wel altijd eerst overleggen met de huismeester, het hoofd van de bewaarders.

De Posten

  • In de 70er jaren waren er diverse posten binnen het H.V.B. Denk aan de posten:
  • Toezicht inkomsten,
  • Voorportier
  • 2e Portier/De binnenportier
  • Vlakkenbewaarder vleugel A
  • Vlakkenbewaarder vleugel B
  • Toezicht bezoek (Alleen overdag)
  • Toezicht bij het luchten
  • Toezicht bij godsdienstoefeningen
  • Toezicht bij de luchtkooien en toezicht bij de isoleercellen
  • Toezicht bij werkzaamheden door burgerwerklieden
  • Toezicht bij recreatie
  • Inkomstenbewaarder (Badmeester)
  • Etage bewaarder vleugel A+B
  • Bewaarder op de inkomstenafdeling
  • Bewaarder op de passantenafdeling
  • Bewaarder bij uitgifte kantineartikelen
  • Bewaarder in de Remise
  • Bewaarder Bodedienst (Boodschappen doen voor de gedetineerden in de stad één keer per week)
  • Nachtdienst

Bijna alle posten rouleerden. ’s Morgens om 7.00 uur en ’s middags 14:00 uur bij aanvang van de dienst was er appèl. De huismeester had een dienstlijst, riep je naam om, en je meldde je present. Hierna kreeg je te horen welke post je had. Na verloop van dienstjaren en een stuk ervaring op bepaalde posten had je over het algemeen steeds dezelfde post. Het kon echter zijn dat er een collega ziek was, dan moest je hem kunnen vervangen op zijn post. Mijn post werd na verloop van tijd die van inkomstenbewaarder.

Bode dienst

Gedetineerden die nieuwe schoenen of kleding nodig hadden, konden deze zaken mee laten brengen door relaties als die op bezoek kwamen. Een andere mogelijkheid was dat hij deze zaken zelf bestelde via een aankoopbriefje met een omschrijving van de maat en dergelijke. De bewaarder die de dienst had van Bode nam contact op met de gedetineerde om het een en ander goed in beeld te krijgen. Via de financiele administratie haalde bij contant geld, ongeveer het bedrag wat nodig was, en wat de gedetineerde zelf had aangegeven wat er besteed mocht worden. De bewaarder bode wandelde de stad in en kocht vervolgens de bestelde zaken. Met de winkelier maakte hij de afspraak dat de spullen geruild of teruggegeven konden worden, dit gaf nooit problemen. Men had er begrip voor dat we de gedetineerde niet mee konden nemen om te passen. Als later bleek dat er iets niet paste dan ging de bode weer terug om te ruilen. Je was als bode bewaarder zo’n hele dag aan het winkelen.

Celinspectie

Regelmatig werden de cellen door de bewaarders geïnspecteerd. Van de huismeester of hoofdbewaarder kreeg je een inspectielijst met celnummers die geïnspecteerd moesten worden. Als er een gedetineerde in de te inspecteren cel nog aanwezig was, dan moest hij tijdelijk in een lege cel plaats nemen en daar blijven wachten tot zijn cel geïnspecteerd was.

Er was min of meer een volgorde in de uitvoering van de inspectie. Je begon met alle spullen na te kijken die tegen een bepaalde wand hingen of stonden. Stond er bijvoorbeeld een kast tegen de wand, dan werd de kast en de inhoud, potje voor potje, kledingstuk voor kledingstuk, enveloppen en mapjes en dergelijke, kortom alles werd gecontroleerd. Aan vloeistoffen werd geroken en met een potlood door suikerpotjes geroerd. Betreffende de vloeistoffen: Gedetineerden maakten hun eigen alcohol door middel van gisting van fruit en suiker. Zo werden alle wanden geïnspecteerd en wist je zeker alles gehad te hebben.

Uit ervaring wisten we wat de geliefde verstopplaatsen waren in de cel. Bijvoorbeeld het schuimrubberen matras, daar werd door de gedetineerde met een scheermesje een sneetje in gemaakt en daar werden dan spullen in verstopt. Het gebeurde ook wel dat de gedetineerde een bepaald lichaamsdeel in dat sneetje stopte, om redenen die je zelf wel kunt verzinnen en waar ik maar niet verder op in ga.

Als de celinspectie klaar was en dit duurde in het algemeen een uur (dit na gelang het aantal spullen wat in de cel aanwezig was), werd de gedetineerde teruggeplaatst in zijn cel nadat hij was gefouilleerd. Als er verboden zaken waren aangetroffen werd dit aan de gedetineerde medegedeeld en in beslag genomen. De bewaarder maakte hiervan een rapport ten behoeve van de directeur.

Regelmatig werden er zelfgemaakte messen gevonden. Deze messen waren van stukjes metaal die meegesmokkeld waren uit de werkzalen. Men verpakte op deze werkzaal onderdelen voor de autofabriek DAF en het kwam vaak voor dat in de grote kisten waar deze onderdelen inzaten, stukken metaal lagen die er op de fabriek ingevallen waren. De gedetineerde had uiteraard tijd zat om dit metaal te slijpen met een stukje steen en zand. Vervolgens werd er een handvat aangemaakt. Ook tandenborstels dienden als steekwapen. Er werd een spitse punt aan geslepen en er werd ook een handvat aangemaakt. Het was niet zo dat gedetineerden met deze spullen liepen te zwaaien, maar voor hen was de kick, het hebben van een wapen, voldoende. In mijn verdere loopbaan kwam het gelukkig niet vaak voor dat er gestoken werd, en dat was niet naar personeel maar naar medegedetineerden.

Drugs kwamen we tijdens zo’n celinspectie in de jaren ’70 niet vaak tegen. Het binnensmokkelen van drugs was erg moeilijk, contact met mensen van buiten was alleen tijdens het bezoek mogelijk, en daar zat een bewaarder tussen! Later met de invoering van gemeenschappelijk bezoek in een bezoekzaal waar zo’n acht à tien gedetineerden gelijktijdig bezoek hadden, was het overzicht door de twee bezoekbewaarders erg moeilijk. Grondige controle na afloop van het bezoek kon niet altijd plaatsvinden. Voor het volgende bezoekuur stonden de bezoekers en gedetineerden al weer klaar. De bezoekers waren al wel met een handdetector gecontroleerd en weer veel later waren er detectiepoorten net als op schiphol. Aan de celinspectie merkten we dat er redelijk wat drugs naar binnen gesmokkeld werd. Bezoekers die deze drugs mee hadden gebracht kregen een bezoekverbod van een paar weken, ook de gedetineerde mocht een aantal weken geen bezoek ontvangen.

De nachtdienst

Vier collega’s kwamen ’s avonds om negen uur in dienst en namen de bijzonderheden door die van belang waren voor de nacht. Dan begon de telling van de gedetineerden volgens een vast patroon. De nachtdienstbewaarder nam een aantal etages voor zijn rekening. Hij moest cel voor cel door het spionglaasje in de celdeur de gedetineerde zien. Er was een dode hoek in de cel, en als de gedetineerde daar stond zag je hem niet. Je wist dan niet of de man in zijn cel was en mocht niet zomaar aannemen dat hij er was. Na deze telling werd er vergeleken of het klopte met de administratiegegevens van de bevolkingsadministratie en met het logboek wat op de kamer lag van de huismeester. En owee als er iets niet klopte met de telling, dan kon alles opnieuw gedaan worden en werd het een latertje voor de avonddienst. De nachtdienst tekende voor akkoord dat ze alle gedetineerden hadden gezien en derhalve de sterkte klopte.

Dan begon het oversluiten. Samen met een hoofdbewaarder liep de bewaarder van de nachtdienst langs alle celdeuren en controleerde deur voor deur of hij afgesloten was. Ook het luikje in de deur, de schaftklep, moest afgesloten zijn. Ondanks deze procedure kwam het een enkele keer toch voor dat een celdeur niet afgesloten was. Zelf heb ik het een keer meegemaakt dat ik midden in de nacht op mijn schouder werd getikt door een gedetineerde die me vroeg: ‘’Bewaarder kun je mijn celdeur dicht maken? Het tocht!’’ Het behoeft geen nadere uitleg dat ik het geluk had een sterk hart te hebben. Zo’n situatie, een open celdeur, ontstond meestel na een late voetbalavond. De late dienst wilde naar huis en deed dan wat de nachtdienst zou moeten doen. Het oversluiten ging dan vlug, vlug, vlug. Zo werden fouten gemaakt met vernoemd resultaat.

Om de beurt liepen we een ronde door de cellenvleugels. Op bepaalde punten hing een sleuteltje dat we in een klokje wat we bij ons hadden ronddraaiden. Op die manier was ’s morgens op een papieren lintje in de klok precies af te lezen hoe laat je op dat punt was geweest. Dat tijdstip moest dan kloppen met de rondekaart die je bij aanvang van de nachtdienst had gekregen. Week het tijdstip af van de rondekaart, dan moest je schriftelijk melding geven van wat de rede voor deze afwijking was.

Tijdens de nachtdienst en tussen de rondes door kon je wat met je collega kletsen of lezen. Op de rondekaart stonden de gedetineerden vermeld die onder bijzonder toezicht stonden. Iedere ronde moesten ze gecontroleerd worden. In het algemeen waren dit gedetineerden die geestelijk instabiel waren of aan hadden gegeven zelfmoord te willen plegen. Als er ’s nachts een gedetineerde vervelend ging doen, zoals kabaal maken, celramen stukslaan en inventaris kapot gooien, dan moesten we de cel van de man betreden. Daarvoor hadden we een verzegelde doos met daarin een celsleutel tot onze beschikking. Deze sleutel mochten we alleen gebruiken in noodgevallen. Als de gedetineerde nadat we in zijn cel stonden niet meer voor rede vatbaar was, en/of hij ons aanviel, dan overmeesterde we hem en kreeg hij handboeien om. Soms moesten we voordat hij in de boeien zat, gebruik maken van de gummiknuppel. De man werd vervolgens afgevoerd naar een strafcel die buiten de cellenvleugel was gelegen. Van het gebeurde werd een rapport opgemaakt door de wachtcommandant van de nachtdienst. Dit was de oudste bewaarder die dan dienst had.

Bij een rustige nachtdienst haalden we onderling ook wat geintjes uit. We spanden bijvoorbeeld links en rechts wat naaigaren dat diende als struikeldraad wat weer verbonden was met blikjes en dergelijke. Daar een en ander nogal herrie kon maken deden we dit buiten de cellenvleugel. Maar als je goed luisterde dan kon je horen dat je collega, die vanuit een andere vleugel zijn werk deed, in zo’n blikjesval was gelopen.

’s Nachts mocht de voordeur alleen open na toestemming van het dienstdoende directielid. Bijvoorbeeld om de gestichtstarts binnen te laten. Als bewaarder stond je ’s nachts regelmatig in een dilemma, of je nu wel werkelijk ’s nachts de dokter nodig had als daar de gedetineerde aanleiding toe gaf. Het punt was in hoeverre dat het echt nodig was. Kon het niet wachten tot ’s morgens als de medische dienst in huis was? Je voelde je als bewaarder niet prettig als bleek dat de dokter voor niets naar de inrichting was moeten komen.

’s Morgens om zeven uur kwam de dagdienst binnen. Het eerste werk wat ze deden was weer gedetineerden gaan tellen. Als het aantal klopte, dan kon de nachtdienst naar huis nadat de bijzonderheden van de nacht waren overgedragen.

De vrouwenafdeling

In 1970 was er nog een vrouwenafdeling met acht cellen en een ruimte die diende als huiskamer en nachtverblijf voor de bewaarster. De toegangsdeur naar deze afdeling was altijd op slot. Het was verboden voor het mannelijk personeel zonder toestemming van de directeur deze afdeling te betreden, of er moesten ernstige onregelmatigheden zijn. Alleen directie en geestelijk verzorgers konden naar deze afdeling. ’s Avonds om tien uur als de late dienst naar huis ging belde men bij de toegangsdeur van de vrouwenafdeling. De dienstdoende bewaarster opende dan de deur en overhandigde de sleutels van de afdeling aan een bewaarder van de nachtdienstploeg en deze maakte dan de deur op slot. De bewaarster zat nu eigenlijk ook opgesloten maar ging naar bed, gezien de kleine afdeling en bezetting hoefde ze geen rondes te lopen en had ze zogenaamde slaapwacht. De sleutels werden opgeborgen in de sleutelkast die zich bevond in de portiersloge. ’S Morgens om zeven uur kwamen de bewaarders van de morgenploeg in dienst en gaven na weer gebeld te hebben de sleutels weer terug aan de bewaarster. Een vrouwelijke gedetineerde is me bij gebleven, deze zat in voorarrest verdacht van een vierdubbele moord op vier overleden mannen door middel van arsenicum die ze in de koffie had gedaan. Wij bewaarders noemden haar ‘’vrouwtje koffie verkeerd’’.

Instructiepost binnenportier

Zijn werkzaamheden waren in het voorgebouw. Daar bevonden zich onder andere een aantal spreekkamer ten behoeve van advocaten. Het was zijn taak om gedetineerden op te roepen, als zich een advocaat aandiende om zijn cliënt te spreken. Er werd dan door de binnenportier indirect toezicht gehouden op de gedetineerde en zijn advocaat. Als het gesprek was beëindigd dan kon de advocaat dit kenbaar maken door middel van bellen. De binnenportier haalde de gedetineerde dan op en bracht hem naar de badmeester waar hij gefouilleerd werd. Dit was altijd de gang van zaken als een gedetineerde contact had gehad met personen van buiten, ook als deze persoon een advocaat was. Er waren toen advocaten die bezwaar aantekenden dat dit voor hem een notie van wantrouwen betekende. Deze bezwaaraantekening werd door de directeur naar de prullenbak verwezen en de gedetineerde werd gewoon gefouilleerd.

Tot de taak van de binnenportier behoorde ook de censuur op de kranten. Gedetineerden hadden de mogelijkheid een abonnement op een krant te nemen. Alle kranten werden gecensureerd. Dit betekende dat alle artikelen die te maken hadden met misdrijven en dergelijke en rechtbankverslagen, door de binnenportier verwijderd werden. Dit op zeer grondige manier, hij knipte ze gewoon uit! Sommige kranten hadden na deze behandeling het uiterlijk van een gatenkaas. De verwijdering was bedoeld om andere gedetineerden niet op het spoor te zetten wat voor misdrijf een medegedetineerde op zijn geweten had.

Verder had de binnenportier toezicht vanuit de gang in het voorgebouw op de voordeur. De deur in de gang was voorzien van een lange kijksleuf. Als er aan de voordeur gebeld werd en de voorportier maakte de voordeur open, dan moest de binnenportier waarnemen wat er zoal plaatsvond bij de voordeur. Personen die ambtshalve op bezoek kwamen werden door de binnenportier ingeschreven in een daarvoor bestemd register. Zo’n register lag ook bij de voorportier. Legitimatie was een eerste vereiste.

Vervolgens het doel van het bezoek. Tijdstip van binnenkomst en vertrek werden genoteerd. Het doel van het bezoek was divers. Bijvoorbeeld naar directeur, naar de administratie, naar sociaal ambtenaar etc. Als er in de inrichting door firma’s van buiten werkzaamheden verricht werden dan was ook voor deze mensen legitimatie verplicht. Deze personen mochten alleen onder toezicht van een personeelslid de inrichting betreden, en tijdens hun werkzaamheden bleef dit personeelslid bij hen staan. Er mocht door deze mensen geen contact gezocht worden met gedetineerden. Gereedschap moest steeds opgeborgen worden in hun gereedschapstas alvorens een ander stuk gereedschap gepakt werd. Dat sommige klussen op die manier lang duurden was niet van belang! Kleine klussen werden in het algemeen door de eigen klusjesman uitgevoerd. Hij had dan hulp van een gedetineerde. Dit was iemand die al vaker gedetineerd was geweest en een vertrouwenspositie had verworven.

Een voorval met dit vertrouwen was het navolgende. De eigen klusjesman ging een paar dagen met vakantie en zei tegen zijn gedetineerde hulp: ‘’ Hier heb je de sleutel van de magazijndeur, als je wat nodig hebt kun je dit zelf pakken.’’ In dit magazijn lagen voornamelijk lampen. In deze ruimte was weer een andere stalen deur die toegang gaf tot de ruimte van de eigenlijke werkplaats, met alle overige gereedschappen. Hij kreeg de strikte opdracht tegen niemand te zeggen waar de sleutel was van de eerste deur, en hij ging toen een paar dagen op vakantie. Op een gegeven moment moest er iets gehaald worden uit de werkplaats en daarvoor moest de eerste stalen deur geopend worden, de sleutel van de tweede deur had men, deze hing gewoon zoals het hoorde in de sleutelkluis. De eerste sleutel kon met niet vinden en dit was logisch want die was in opdracht van de vakantieganger door zijn hulp verstopt. Men moest toen per se in de werkplaats zijn en besloot om de eerste stalen deur door een firma van buiten met een slijptol open te slijpen. De gedetineerde die de sleutel van deze deur had verstopt had heel dit gebeuren rustig gevolgd. Toen de vakantieganger na enige dagen terug kwam zag hij de aangerichte ravage en kreeg hij de toedracht van zijn hulp te horen. ‘’Ja’’, zei de hulp, ‘’Je had me uitdrukkelijk aangegeven dat ik aan niemand mocht vertellen waar de sleutel was en dat heb ik dan ook niet gedaan!’’

Post luchtplaats

De luchtplaats had een driehoeksvorm met alle zijden van ongeveer 25 meter. Er waren twee toegangsdeuren, één vanaf de A-vleugel en één vanaf de B-vleugel. De toezicht houdende bewaarders, twee personen, stonden elk bij een toegangsdeur waar zich de alarmknoppen bevonden. Aan het begin van de eerste lucht werd eerst de luchtplaats geïnspecteerd op verboden voorwerpen waarmee ontluchtingspogingen konden worden ondernomen of waarmee verwondingen toegebracht konden worden. Gezien de gebouwelijke ligging van het H.V.B. was het niet onmogelijk om bijvoorbeeld ’s nachts op het dak van de buren te komen en via dat dak met wat touw spullen op de luchtplaats te laten zakken of gooien. Zelf heb ik eens een ontsnapte gedetineerde op dit dak achterna gezeten. Het was eigenlijk kinderlijk eenvoudig om op het dak te komen. Aan de kant van het paleis van justitie zat toentertijd een brandtrap tegen de buitengevel. Vanaf de openbare straat kon je met wat klimwerk en niet al te stijf van de leden, bij de onderste trede van de brandtrap komen die zich zo’n 3,5 meter boven de grond en openbare weg bevond. Daarmee was het de weg naar boven beklimmen en via de dakgoot en wat platte daken kreeg je een riant uitzicht op de luchtplaats!

Heel veel later werd deze route afgezet met lekwerk waar alarm op stond en overal lagen rollen met natodraad. Dit is een soort van prikkeldraad maar dan met mesjes en dermate hardstaal dat het haast niet kapot te knippen is. De gedetineerde die ontsnapt was, werd trouwens gepakt door de inmiddels gealarmeerde Bossche politie die de man in de St. Jorisstraat recht voor de toegangsdeur van het H.V.B. inschakelden en weer naar binnen bracht. Nadat de luchtplaats was geïnspecteerd werd het luchtplaatsalarm getest op zijn werking. Bij aanvang van de lucht stonden de bewaarders opgesteld bij de toegangsdeuren en kwamen de gedetineerden van de etages of van de werkzalen naar de luchtplaats en dit in een roulerend systeem gedurende de hele week. Je taak als luchtbewaarder was observeren, je zag toe dat er niet werd geschreeuwd en dat er orde heerste tijdens de lucht. Je telde het aantal gedetineerden dat zich op de luchtplaats bevond. Soms kwam er een hoofdbewaarder de luchtplaats op en ging dan pal voor je staan en vroeg dan hoeveel gedetineerden je nu op de luchtplaats had. Deze vraagstelling bevorderde het scherp houden van je observatie.

Post toezicht kerkdiensten

Op zondag om negen uur was er kerkdienst voor de katholieke gedetineerden en om half elf voor de protestante gedetineerden. Even voor negen uur liep de etagebewaarder langs de cellen op zijn afdeling en vroeg cel voor cel aan de gedetineerde of hij naar de katholieke kerkdienst wilde en zo ja, welke dienst. Gaf de gedetineerde aan naar de R.K. te willen, dan schoof de bewaarder het celkaartje naar rechts. Gaf hij aan naar de protestantse dienst te willen dan werd het celkaartje naar links geschoven.

Als dan de oproep “de mensen voor de kerk”, welke werd gegeven door een hoofdbewaarder, dan hoefde de bewaarder alleen maar naar het kaartje te kijken en de celdeur te openen. De gedetineerde stond dan klaar om naar de kerk te gaan. Gedetineerden met beperkingen, de zogenaamde roodbanders (zie omschrijving roodbanders), werden het laatst gestuurd en kwamen in de kerk op een aparte bank te zitten naast de toezicht houdende bewaarders. Vrouwelijke gedetineerden waren het eerst binnen als de kerk nog leeg was. Ze werden geplaatst achter in de kerk, daar was een verhoging met balustrade. E.e.a. was dermate hoog dat ze er met een trap naar toe moesten. Ze konden niet gezien worden door de overige gedetineerden.

Op deze verhoging bevond zich ook het orgel nog één uit 1900 schat ik, met tinnen orgelpijpen echt een kolossaal ding. De grootste pijp was zo’n 2,5 meter en de kleinere pijpen liepen dan linke en rechts schuin af naar 50 cm. Het orgel werd met luchtbediening aangedreven. De organist trapte voortdurend op twee grote pedalen om lucht te pompen naar de orgelpijpen en hij bediende ondertussen de toetsen. Het koste mij, maar ook de andere collega’s, altijd de grootste moeite om ons gezicht tijdens deze orgeluitvoering in de plooi te houden. Het orgel had allerlei ouderdoms kwalen. De pedalen piepten bij iedere druk, als de organist te weinig lucht of teveel lucht produceerde dan leek het soms of er een paar katten krols waren. Vaak hadden we het idee dat de organist zijn muziekboek op zijn kop zat te lezen. De bijnaam die we hem gaven was “Willem Parel”.

De overige gedetineerden werden op volgorde van binnenkomst in de kerkbanken geplaatst en als laatste kwam er een groep zangers de kerk binnen. Dit waren vrijwilligers van buiten die op de zondag hun liederen ten gehore kwamen brengen. Hun gemiddelde leeftijd was zo’n 75 jaar. Het was altijd spannend voor ons bewaarders om te zien of de zangers alle trappen naar boven zouden halen, de kerkruimte was immers op de derde etage gelegen. Er waren er bij die met krukken liepen, onderweg naar boven moesten er een paar even rusten anders hadden ze geen lucht meer over om te zingen. Wij noemden de zangers onderling “de Wiener zangerknapen”! Dan was er nog de combinatie van het orgel en de zang, helaas is er geen bandopname van!
De toezichthoudende bewaarders keken voornamelijk naar de orde in de kerk en als er gedetineerden zaten te vervelen dan werden ze door ons de kerk uit gestuurd, als dat al niet eerder was gedaan door de aalmoezenier en in de ander dienst door de dominee! Voor deze gedetineerden was voortaan de kerkdienst afgelopen. Het vertrek uit de kerke gebeurde in omgekeerde volgorde. De vrouwelijke gedetineerden gingen als laatste de kerk uit als de mannen weer waren ingesloten in hun cel. Een keer is het gebeurd dat een gedetineerde de kerk uit kwam en naar de balustrade liep, en van de derde verdieping naar beneden sprong. De man was opslag dood.

De dominee had geen vrijwillig zangkoor of orgelmuziek. Tijdens zijn dienst was het in het algemeen rustiger dan bij de dienst van de aalmoezenier. Er waren dan ook veel minder hervormden in de kerk. Zingen tijdens de dienst deed voornamelijk de dominee zelf, hij nodigde de gedetineerden wel uit om mee te zingen maar dit kwam niet erg goed uit de verf. Na afloop van de dienst was er in een recreatiezaal voor deze groep gedetineerden gezamenlijk koffie drinken, de dominee zorgde dat er koek bij was.

Post toezicht luchtkooien en strafcellen

De gedetineerde die in de strafcel werd geplaatst moest zich geheel uitkleden en kreeg een speciaal pak dat niet kapot te scheuren was. Schoenen waren er niet, de ruimte was geheel leeg en in een hoek van een cel stond een betonblok met daarin een toiletpot van staal. ’s Avonds werd er een schuimrubberen matras met dekens verstrekt die ’s morgens weer werd ingenomen. Hoog in de cel bevond zich een raam dat dermate hoog zat, dat je er niet doorheen kon kijken.
De gedetineerde kon door middel van een bel de bewaarder oproepen, en als hij nodeloos belde, dan kon de bel afgezet worden. Het toezicht op hem was zeer regelmatig. Als de strafcel geopend werd gebeurde dit altijd door twee personeelsleden. Tijdens de maaltijd kreeg hij een houten lepel en het eten zat in een plastic bakje. Dit werd hem aangereikt door het luikje dat in de celdeur zat. Ook drinken zoals koffie en thee werden via dit luikje aangegeven.

Één keer maakte ik het mee dat de gedetineerde het bekertje koffie aanpakte en via het luikje weer terug gooide in mijn gezicht en over mijn overhemd. Ik zag er niet uit, de collega die naast me stond veegde wat koffie van mijn gezicht en zei: ‘’Ja, er zit geen suiker in de koffie, geen wonder dat hij er mee gooit!’’.

Vanuit de strafcel kon de gedetineerde twee maal per dag een halfuur gaan luchten in de luchtkooi. Hij mocht geen contact zoeken met de overige gedetineerden die in de andere luchtkooien liepen. Ze konden elkaar niet zien omdat de kooien gescheiden waren door een dikke muur. Roepen kon wel, maar als hij dat deed moest hij weer naar binnen en terug naar de strafcel. De kooien lagen in een halve cirkel naast elkaar, acht stuks. De bewaarder die toezicht hielt kon door op een bepaalde plaats te gaan staan, alle kooien tegelijk in de gaten houden. Als het luchten was afgelopen werden de kooien geïnspecteerd of er boodschappen achtergelaten waren.

Toezicht bezoek

Gedetineerden die reeds veroordeeld waren hadden recht op 30 minuten bezoek per 14 dagen. Gedetineerden die nog niet veroordeeld waren hadden recht op wekelijks bezoek van 15 minuten. De gedetineerde gaf via een spreekbriefje gericht aan de bezoekadministratie aan welke relaties hij op bezoek wilde laten komen. Deze relaties kregen dan schriftelijk bericht dat ze op een bepaalde dag en tijdstip op bezoek konden komen.

Er mochten drie volwassenen tegelijk op bezoek, kinderen werden buiten beschouwing gelaten. De bezoekers mochten geen spullen mee nemen naar de bezoekkamer, dit werd bij de portiers in een afsluitbaar kastje gedeponeerd. Om te voorkomen dat er pakjes sigaretten of shag tijdens het bezoek verwisseld werden met de gedetineerden was het alleen toegestaan een paar sigaretten mee te nemen, twee tot drie stuks. Brieven of andere zaken mochten onder geen enkele voorwaarde overhandigd worden.

Op het tijdstip van het bezoek werden de bezoekers door de portier in de bezoekkamer gelaten. Deze kamer was pal naast de portiersloge. De bewaarder belast met toezicht bezoek was dan via een andere deur reeds met de gedetineerde in de bezoekkamer. Hij wees de plaatsen aan waar de bezoekers en gedetineerden plaats konden nemen, dit was tegenover elkaar aan een tafel. De bewaarder ging aan de kop van de tafel zitten zodat de bezoekers rechts en de gedetineerde links van hem zaten. Elkaar een kus en een hand geven was toegestaan. Als bewaarder had je alleen de taak om toezicht te houden en bemoeide je jezelf niet met het gesprek. Men probeerde wel om je bij het gesprek te betrekken maar je opdracht was duidelijk dit niet te toen.

Kinderen die in de bezoekkamer rondliepen of kropen en soms vervelend met plakhandjes aan je uniform zaten of liepen te schreeuwen, werden door mij via de moeder tot orde geroepen. Als dit niet hielp dan was de dreiging van mij ‘’Nu is het bezoek afgelopen’’ of ‘’We stoppen dit bezoek’’ voldoende om de zaak weer op orde te krijgen. De gesprekken volgde je wel, en in de loop der jaren is in deze bezoekkamer zo’n beetje alles besproken wat in het wetboek omschreven staat als strafbaar feit. Ook de relatieproblemen die er waren kwamen daar op tafel. Als toezicht houdend bewaarder nam je kennis van al dit fraais, en als je dan weer naar huis ging was het alleen maar goed dat je afstand kon nemen van wat je tijdens je dienst zoal had gehoord.
Een enkele keer kreeg je opdracht om bij een bepaald bezoek goed te luisteren waarover het gesprek ging, en daarvan het een en ander op papier te zetten. Deze rapportage vond plaats in opdracht van de officier van justitie.

Een paar minuten voor het einde van het bezoek gaf je aan dat het bezoek afscheid moest nemen. De inmiddels gewaarschuwde voorportier liet dan de bezoekers in de portiersloge, en via een andere deur die uitkwam in een gang in het voorgebouw vertrok je met de gedetineerde. Het voorgebouw is het oudste gedeelte van het complex en dateert uit 1807. In de St. Jorisstraat te ’s Hertogenbosch is dit gebouw nog volledig in de oude staat te zien. Rond 1970 bevond zich in dit voorgebouw de portiersloge, de bezoekkamer, diverse kamertjes waar advocaten hun cliënten konden spreken, een vergaderzaal waar vroeger ook de regenten aten, de medische dienst, de bevolkingadministratie en de kamer van de directeur. Op de bovenverdieping was de personeelskantine. Ook was boven aan het einde van de gang een dubbele stalen deur die toegang gaf naar het paleis van justitie waar vlakbij de kamer van de rechter-commissaris was. Deze ruimte is nu vanuit de St. Jorisstraat nog te zien. Het is een met gele stenen gemetselde vierkante toren.

Dan was er nog de zolder, afgesloten met een ijzeren hekwand en een dikke houten deur. Op de zolder bevond zich het archief, en oude spullen zoals tafels, stoelen en dergelijke.
Tevens werd de zolder gebruikt om schietoefeningen te houden door het personeel. Ik weet nog dat de revolver waar we mee schoten een cilinder had van zes kamers en de patronen waren 9 millimeter. Volgens mij kon je met dit wapen een olifant omleggen!

Als slot van dit bezoekersverhaal een markant voorval. Het was opgevallen dat een gedetineerde na afloop van zijn bezoek naar de jenever stonk. Bij zijn volgende bezoek werd er na enige tijd duidelijk hoe hij aan drank kwam. Hij en zijn vrouw knuffelde elkaar regelmatig tijdens het bezoek. Elkaar kussen was immers toegestaan. Heel slim had de vrouw een plastic zakje op haar lichaam geplakt met een dun slangetje eraan. Dit slangetje was mooi verstopt tussen haar borsten. De gedetineerde boog zich voorover voor een kus, liet zijn hoofd zakken en kon vervolgens ongezien aan het slangetje gaan zuigen. Op die manier haalde hij dus zijn borrel binnen. Zoals ik me kan herinneren is na een ernstig gesprek met de vrouw de zaak zo maar geslonken.

Toezicht Inkomsten

Inkomsten” zijn de nieuwe gedetineerden die overgebracht werden vanuit een politiebureau naar het HVB. Wekelijks of dagelijks kwamen er nieuwe gedetineerden binnen, soms met vier of vijf in de politiebus maar ook vaak alleen. Op het politiebureau zijn deze gedetineerden al gecontroleerd op verboden zaken, die worden dan overgedragen aan de bewaarder die op die dag dienst heeft als “inkomsten bewaarder. De gedetineerden worden vervolgens in de “wachttruimte” geplaatst. Dit is een wat grotere kale cel met een zitbank. De plaatsing in de wachtruimte was gezamenlijk. Dit was voor ons bewaarders dan een eerste indicatie van hoe de gedetineerden zich gedroegen in gemeenschap. Het kwam regelmatig voor dat er twee personen waren die voor dezelfde zaak gearresteerd waren, en waarvan de één de ander had aangegeven. Vaak werd dit natuurlijk niet in dank afgenomen. Op het politiebureau hadden ze elkaar vaak niet meer gezien of gesproken, dit was natuurlijk voor het verhoor beter. Men kon ze op die manier tegen elkaar uitspelen. In de wachtruimte,  ontmoetten ze elkaar weer en naar gelang van hun reacties konden wij al een selectie maken waar we ze binnen in de cellenvleugel moesten plaatsen. Na hun verblijf in de wachtruimte werden ze om de beurt naar de badafdeling gebracht, waar de gedetineerden zich geheel uit moesten kleden. De bewaarder die daarbij toezicht hield werd ‘badmeester’ genoemd.

Hij moest opletten dat de gedetineerde niets op zijn lijf geplakt had, in huidplooien, in zijn haren, onder zijn voeten, of in de bilnaad had verstopt (hiervoor moest de gedetineerde .krom gaan staan en zijn billen uitelkaar trekken). Ondertussen werd zijn kleding en schoeisel geinspecteerd. Was alles in orde dan kon hij gaan douchen en zich weer aankleden. Het gebeurde regelmatig dat wij de verpleging er bij moesten roepen omdat de man onder de vlooien zat. Hij kreeg dan een speciale shampoo waarmee hij zich moest wassen.

Uiteraard riep bij sommige gedetineerden zo’n ‘inkomsten inspectie’ weerstand en agressie op. In het algemeen wisten we dit verbaal op te lossen. Indien het niet anders kon werden er een paar collega’s bij geroepen en kreeg de gedetineerde een laatste waarschuwing om zijn gedrag naar de geldende regels aan te passen. Gezien onze overmacht op dat moment kozen ze dan toch maar eieren voor hun geld. Lukte dit niet dan werd hij met geweld uitgekleed en gecontroleerd. Vervolgens kreeg hij een speciaal pak wat niet gemakkelijk kapot te scheuren was en werd hij in een isolatiecel geplaatst die in de buurt was.

Bleef de gedetineerde ook in deze isolatiecel agressief naar het personeel of ging hij zichzelf verwonden, bijv. door met zijn hoofd tegen de muur slaan, dan werd de gedetineerde in een andere isolatiecel op het veiligheidsbed vastgebonden met spanriemen aan polsen en benen. Over zijn borst kwam een dichte kanvas lap zodat hij volkomen stil moest liggen. Eventuele ontlasting moest hij maar ophouden, of anders laten lopen. In al de jaren dat ik er heb gewerkt was het na deze behandeling na een paar uur, voor de gedetineerde voldoend, en gaf hij aan zich aan de regels te willen houden. Hierop werd hij dan los gemaakt. Het vastbinden op het veiligheidsbed kwam niet vaak voor, zo’n vier of vijf keer per jaar. Het was altijd een enorme worsteling om de gedetineerde (die niet meer voor rede vatbaar was) in bedwang te nemen en vast te binden. Overdreven geweld was uiteraard verboden en je wist dat de betrokkene na verloop van tijd ook weer los gemaakt werd. Dan moest er wel weer een normale omgangsrelatie zijn tussen hem en personeel.

Wij als personeel wisten bij inkomst al het feit waarvan ze verdacht werden. Zat er bijvoorbeeld iemand bij die iets gedaan had met kinderen, dan gaven we hem het advies om tegen mede gedetineerden te zeggen dat hij voor diefstal of i.d. Zat. Het advies: ‘’Zeg maar tegen mede gedetineerden dat je voor een diefstal zit.’’, was in het belang van de man zelf, maar ook in het belang van de etagebewaarder. Er was sprake van een rangorde, die naar gelang van het feit waarvoor iemand verdacht werd, een gedetineerde een bepaalde status gaf.  Een kluiskraker staat hoger op de ladder dan een dief die met geweld een overval pleegt. Mishandeling en beroving van oude mensen staat laag en zo zijn er nog diverse gradaties die je als etagebewaarder dient te weten. Verdachten van misdrijven betreffende kinderen, staan op de allerlaagste plaats! Deze rangorde geeft op de etage waar zo’n gedetineerde zit, spanning. Voortdurend moet je als bewaarder in de gaten houden met wie je dit soort mensen tegelijk loslaat uit hun cellen om naar de gezamenlijke wasplaats/toiletruimte te gaan. Regelmatig kwam het voor dat gedetineerden aan mij vroegen: ‘’Hé bewaarder, laat die ontuchter eens los’’. De benaming ‘ontuchter’ staat voor een persoon die ontuchtige handelingen verricht bij kinderen. De man moest door ons in bescherming worden genomen. Wij lieten deze gedetineerden óf alleen uit zijn cel komen (terwijl de andere celdeuren gesloten waren), óf samen met anderen waarvan wij wisten dat het geen probleem zou opleveren.

Prive spullen welke niet mee naar binnen mochten werden opgeborgen en bewaard. De gedineerde kreeg deze terug bij ontslag. Geld wat hij bij zich had werd op een speciale rekening gezet. Hierover later meer.  Als laatste kreeg de gedetineerde dekens, een kussensloop, lakens, ondergoed, sokken, bedovertrek en handdoekken. Daarna was hij klaar om naar binnen te gaan. Naar binnen betekende naar de cellenvleugel op een van de etages. Zijn cel stond al open.

Indeling inkomsten afdeling

De inkomsentafdeling bevond zich op de eerste etage van vleugel A. Hier bevonden zich 32 cellen, respectievelijk 16 cellen links en 16 cellen rechts. Tevens was er een gezamenlijke wasplaats/ toiletruimte. Op de kop van de etage was de bewaarderkamer, die voornamelijk ‘s nachts werd gebruikt door de nachtdienst om vanaf daar hun controlerondes door het gebouw te lopen(hierover meer bij de post nachtdienst).

Gedetineerden die naar het toilet moesten, konden dit kenbaar maken door te bellen. Boven de celdeur ging een lampje aan en centraal in de vleugel was er een kolom met vier verschillende gekleurde lampen die weer correspondeerde met de etage waarop gebeld werd. Intern noemden wij deze lampen kolom de kerstboom. Op de etage was een granieten wasbak welke was ingemetseld in de muur. Gedetineerden konden er hun waterkan vullen, en deze tafel diende tevens als zitplaats voor de bewaarders als het rustig was op de etage.

Op de wasplaats/ toiletruimte bevonden zich zeven toiletten met deur en zes wastafels. Deze ruimte was ontstaan door een muur tussen twee cellen weg te halen en een deur centraal in het midden te maken. Deze etage-indeling is nagenoeg hetzelfde voor de overige etages zoals de begaande grond en de tweede en derde etagevleugel A. Op de derde etage op de kop was de kerkzaal. ( hier over later meer).

De begane grond noemde men het vlak. Daar waren de toegangsgangen naar de werkzalen en recreatiezalen, daar tussen waren nog eens 20 cellen. Deze cellen werden gebruikt voor gedetineerden die niet geschikt waren om op een etage geplaatst te worden. Daarnaast gebruikte men deze cellen voor gedetineerden die er om bekend stonden dat ze vluchtgevaarlijk waren. De kamer van de huismeester/hoofdbewaarder was ook op de kop van het vlak. Vanaf daar had men redelijk goed overzicht over de gehele vleugel.

Werkzaamheden Afdeling Inkomsten

Op de afdeling inkomsten kwamen de nieuwe gedetineerden vanuit de badruimte naar binnen. Beladen met dekens, lakens, kussenslopen, ondergoed en hun overige kleding.  Honderden heb ik er zien komen en gaan. De bewaarder op deze etage was, hoe men zegt, ‘’door de wol geverfd’’ en heeft meerdere jaren ervaring met het omgaan van gedetineerden.

Stel je eens voor dat je gedetineerde bent, en voor het eerst in het echt een bajes van binnen ziet. Je hebt al het nodige meegemaakt, bent opgepakt door de politie, door de mangel gegaan bij binnenkomst, je zit in het algemeen geestelijk met jezelf in de knoop en je kan en mag niks meer zelfstandig doen of bepalen. Je bent afhankelijk van de etagebewaarder, je moet hem om alles vragen, je moet je houden aan het regiem, je hebt in het algemeen geen contacten meer gehad met je relaties, je komt in een cel die niet bepaald een luxe indruk maakt, en je zal je realiseren dat je daar bijna 24 uur per etmaal zal moeten verblijven. Je bent tot op heden voor onbepaalde tijd uitgesloten van je vrijheid. Het enige vrije wat je hebt zijn je gedachten.
Het behoort tot de taak van de bewaarder om dit gegeven mee te nemen in zijn opstelling naar de gedetineerde. Dit kan bepalend zijn voor het verdere verblijf in het Huis van Bewaring. De bewaarder moet in zijn houding en zijn opstelling geen mening geven over het feit waarvan de gedetineerde verdacht wordt, daarvoor hebben we rechters die hiervoor hebben geleerd. Natuurlijk heb je als bewaarder zo je eigen mening over iemand, maar wijsheid is: ‘’Benader en spreek een gedetineerde aan zoals je zelf benaderd wil worden.’’

Is de gedetineerde in zijn houding brutaal of agressief dan zal hem snel duidelijk gemaakt worden dat dit niet acceptabel is en hij in zijn opstelling een meegaande houding zal moeten aannemen. Gedetineerden die tegen de draad in waren, gaven spanning, zowel naar het personeel als naar medegedetineerden. Deze medegedetineerden pikten het niet dat er vervelende dingen op de etage plaatsvonden. Ze hadden er belang bij dat het rustig was op de etage. Het kwam regelmatig voor dat ze een vervelende vent op een wasplaats aan zijn verstand brachten dat zijn houding veranderd moest worden. Dit ging in het algemeen goed, soms met wat gepaste aandrang door de medegedetineerden.

De groep gedetineerden die al vaker met justitie in aanraking was geweest, en derhalve al vaker onze gast waren geweest, was redelijk groot. In de omgang waren dit voor ons als bewaarders de makkelijkste klanten. Als introductiegrap maakten we hen soms wel wat wijs door te stellen dat de regels soepeler waren geworden en dat ze aan konden geven hoe laat ze ‘s morgens gewekt wensten te worden. Ook of ze koffie of thee wilden, en of het eitje hard of zacht gekookt moest zijn. Sommigen keken je dan aan of je gestoord was.

Het verblijf op de inkomstenafdeling had de doelstelling het gedrag van de gedetineerden te observeren, daar werd dan een observatierapport van gemaakt. Wekelijks werden deze rapporten besproken in de indelingscommissie. Die bestond uit diverse functionarissen die direct met de gedetineerden te maken hadden. Gedetineerden plaatste men na de observatieperiode zolang deze nodig was op de afdeling die het beste pastte bij zijn persoonlijkheid. Er werd onder andere gekeken naar gestoord of afwijkend gedrag en naar vluchtgevaarlijkheid en zijn aanpassingsvermogen. De gebouwelijke situatie maakte de interne selectie vaak moeilijk uitvoerbaar zodat we regelmatig gedetineerden op een afdeling moesten plaatsen die niet geschikt voor hen was. Denk daarbij aan zeer jeugdigen die naast een doorgewinterde crimineel zat.

Een aparte groep gedetineerden waren de mensen die apart gehouden moesten worden van de overige gedetineerden. Ze kregen van de Rechter-Commissaris beperkingen opgelegd, dit was vooral in verband met het onderzoek door de politie. De gedetineerde had nog geen bekentenis afgelegd, het politieonderzoek was nog niet rond en hij mocht geen contact hebben met medeverdachten. Tot de zaak rond was had hij geen bezoek, geen briefwisseling, geen krant en geen contact met de buitenwereld. De advocaat van deze gedetineerde had natuurlijk wel het recht om hem te spreken en beschiktte over vrije briefwisseling. Ik heb gedetineerden meegemaakt die ruim een jaar in deze beperking zaten. Het enige contact dat ze hadden was met de etagebewaarder. U moet zich voorstellen dat ze echt zo’n 23 uur per etmaal in de cel zaten. Ze mochten twee keer per dag een halfuur luchten in een kleine luchtkooi. En dat was letterlijk een kooi met rondom en aan de bovenkant tralies met uitzicht op hoge muren. Ze konden een rondje lopen van ongeveer vier meter! Intern noemden wij bewaarders deze gedetineerden ‘’roodbanders’’ omdat op het celkamertje op de celdeur een rode band was aangebracht. Dit om vergissingen met het openen van de celdeur te voorkomen.

Een andere groep onveroordeelden vormden de gegijzelden. Het gaat hier om mensen die een schuld niet betaalden. De schuldeiser kon dan, als laatste middel, deze man op deze manier het betalen afdwingen. De beslissing of iemand gegijzeld werd lag bij de rechter commissaris. Deze kon de man in het Huis van Bewaring in gijzeling stellen. Ook kon iemand in gijzeling gesteld worden als ze bijvoorbeeld tijdens een rechtbankzitting geen getuigenverklaring wilden afleggen. De gegijzelden hadden speciale rechten ten aanzien van hun huisvesting, voeding, bezoek en briefwisseling. Deze zaken stonden in het Gijzelingsbesluit vermeld.

Dan zijn er nog de gefailleerden. Als iemand failliet verklaard was, werd een curator aangewezen die de zaken van deze persoon moest afwikkelen. De faillietverklaarde was verplicht om alle informatie die de curator nodig had te verstrekken. Deed de faillietverklaarde dit niet, dan kon de man op vordering van de curator en via de Rechter-Commissaris de man in verzekerde bewaring stellen. Hij is dan geen gegijzelde met speciale rechten meer, maar heeft dan gewoon de status van gedetineerde.

Nog meer onveroordeelden die we aantroffen op de inkomstenafdeling waren de vreemdelingen. Deze gedetineerden verbleven daar in afwachting van uitzetting naar het land van herkomst. Ook mensen die hun boetes niet betaalden werden in zogenaamde hechtenis genomen en verbleven ook in het H.V.B. Deze hechtenis kwam in plaats van de geldboete. Er mocht dagelijks door relaties geld gebracht worden om de hechtenis ongedaan te maken. Vaak heb ik meegemaakt dat ze al na een paar uur het H.V.B weer wilden verlaten en vlug iemand belden om de boetes te komen betalen. Ondanks de goede zorgen van de bewaarders, wilden de meesten vlot weer weg.
Veroordeelden die een kortere straf hadden dan 14 dagen, door bijvoorbeeld rijden onder invloed, konden hun straf uitzitten in het weekend. Dit wil zeggen dat ze zich vrijdagavond kwamen melden en dat ze maandagochtend weer mochten vertrekken. Dit gedurende zeven weekenden. Deze mensen verbleven dan op een aparte afdeling, gescheiden van de overige gedetineerden. In het H.V.B van ’s Hertogenbosch was dit de E-vleugel. Daar waren 16 cellen beschikbaar. Als ik dienst had op deze afdeling werd ik soms door hen bedankt voor de rust die ze ondervonden: geen telefoon, geen gezeur aan hun hoofd en rustig kunnen werken aan hun administratie. Vaak waren dit zakenmensen die aan de buitenwereld niet wilden laten weten dat ze gevangen zaten, en doordeweeks hun zaak of werk hadden.

Een laatste kleine groep was de dienstweigeraars. In het algemeen Jehovagetuigen. Deze mensen werden gezamenlijk op een verblijfszaal geplaatst van acht personen. Deze zaal bevond zich op de tweede etage van de B-vleugel. De verblijfsduur was kort, ze werden overgebracht naar de gevangenis in Veenhuizen en verbleven daar net zolang als hun diensttijd geduurd zou hebben, plus drie maanden.

Het omgaan als bewaarder met deze diverse groepen van ingesloten mensen vroeg om veel begrip en tact. Deze eigenschappen ontwikkelde je in de loop der jaren met behulp van opleiding die door het gevangeniswezen werd gegeven, en ervaring in de praktijk. Ondanks al het begrip en tact belandde je regelmatig in een conflictsituatie. Uiteindelijk moest je als bewaarder tegen een gedetineerde zeggen: ‘’ Nu ga je dit of dat doen’’. Hier zaten vaak ook vervelende opdrachten bij waarvan je wist dat hij ze niet leuk zou vinden. Als een conflict dermate uit de hand ging lopen, stonden de collega’s die het geschreeuw of iets dergelijks hadden gehoord, al klaar om in te grijpen. Alle overige gedetineerden die op zo’n moment niet in hun cel waren werden door de overige etagebewaarders ingesloten in hun cel. Men ging dan in een ring om de gedetineerde staan en naar gelang van zijn verdere gedrag werden er maatregelen genomen. Dit betekende dat als de man rustig werd, hij terug mocht naar zijn cel of dat hij de dienstorder “Je gaat nu naar de strafcel!’’ kreeg. Dit kon hij dan vrijwillig doen of hij werd geholpen door de bewaarders die dit dan met gepast geweld deden. De etagebewaarder maakte van het voorval een rapport. De directeur kon, na het horen van de man, beslissen of hij nog langer in de strafcel moest blijven. Zodra de gedetineerde terug kwam uit de strafcel vond er een gesprek plaats tussen de bewaarder die het strafrapport gemaakt had en de gedetineerde.

Zelden heb ik meegemaakt dat de gedetineerde bleef volhouden in een negatieve houding. Vaak kwam ik een gedetineerde in de stad of elders tegen die dan spontaan een vriendelijk gesprek aanknoopte en zoiets had van: “Je had in die tijd wel gelijk, bewaarder.’’ Ze gaven me een hand en bedankten voor de omgang met hen. Met zelfs de grootste schreeuwers die riepen: “Ik kom jou buiten wel tegen bewaarder”, heb ik geen moeite gehad.

De periode rond kerstmis en nieuwjaar

Het personeel wat niet tot de bewaking behoorde was 25 en 26 December en 1 Januari vrij van dienst. De bewaarders konden onderling van dienst ruilen om óf met kerst óf met oud en nieuw vrij te zijn. Dit onderling ruilen resulteerde vaak dat je dubbele diensten maakte zoals van ’s morgens zeven uur tot ’s avonds tien uur aan een stuk door.

Er was een bewaarder die een week voor de kerst vrij van dienst werd gemaakt, ik zal hem Jan noemen. Jan had als hobby droogbloemenstukjes maken. Deze vaardigheid ontplooide hij in het versieren van de kerkruimte en de cellenvleugels. Hij zorgde dat de gedetineerden die dit wilden, kerstversiering in hun cel kregen, zoals hulsttakjes, dennentakken, wat rode linten, tempex paddestoelen en dergelijke. Het kostenplaatje van dit alles werd betaald uit de potjes van de geestelijke verzorging. In de kerk en de cellenvleugels stonden opgetuigde kerstbomen. Aan de wanden hingen kerststukken. Jan toverde met behulp van een aantal gedetineerden en heel veel kerststukken de bajes om in de sfeer van kerstmis.

Er hing rond die tijd ook werkelijk een andere sfeer. Het was rustiger, vreemde voorvallen deden zich niet of nauwelijks voor. De koks hadden een ruimer budget om extra dingen te bereiden. De maaltijd bestond uit een voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht. Het hoofdgerecht was in het algemeen gebakken aardappeltjes, halve kip en diverse groenten. Ook het personeel dat op die dagen dienst had kreeg dezelfde maaltijd verstrekt. Bij iedere koffie of theeronde waren er stukken amandelstaaf of gevulde koeken. ’s Morgens of en ’s avonds was er voor ieder een paar sneeën krentenbrood. Er waren instellingen van buiten, bijvoorbeeld Het leger des Heils die rond deze dagen etenswaren verstrekten. Meestal etenswaar wat in blik zat. Overdag en ’s avonds was er extra recreatie. In de nacht van oud op nieuw om 12 uur konden de gedetineerden via hun celraampje de vuurpijlen zien en horen. Er werd dan door hen ook even kabaal gemaakt door flink tegen de celdeuren te schoppen. Er deden zich geen noemenswaardige onregelmatigheden voor,  ik denk dat dit te maken had met de sfeer die door ieder gevoeld moet zijn.

Het dagelijks leven op een etage met gedetineerden

’s Morgens om zeven uur werd centraal een originele scheepsbel geluid. Vanuit de keuken werden karren met broodbakken en theekannen naar de vleugels gebracht. Er was wit en bruin brood. Per etage was er een broodbak. De etagebewaarder had inmiddels een gedetineerde uit zijn cel gelaten, dit was de zogenaamde reiniger. Een felbegeerde baan.

Deze reiniger haalde voor zijn etage de broodbakken en dergelijke naar boven, en plaatste de bak op de etagekar. De bewaarder had een genummerde bestekbak die correspondeerde met het celnummer. Celdeur voor celdeur werd geopend met de volgende vraag: ‘’ Hoeveel brood? Wit of bruin?‘’ De reiniger schonk inmiddels thee in een mok. De bewaarder gaf het brood en het broodmes aan.

Hier startte de behandeling die een gedetineerde kon verdienen. Een vervelende gedetineerde moest zijn bed uit komen en alles netjes aan de deur aanpakken. Een gedetineerde die normaal in de omgang was, mocht in zijn bed blijven liggen, zijn brood en mes werden op de stoel gelegd die vlakbij de deur stond. Ook zijn mok werd daarop gevuld met thee. Na de ontbijtronde werden de gedetineerden die naar de werkzalen gingen het eerst in de gelegenheid gesteld om zich te gaan wassen in de centrale wasruimte op de etage. De toiletpot die in de cel stond werd in deze wasruimte in een aparte stortbak omgekeerd en schoon gespoeld.

Om kwart over acht werd het signaal gegeven dat de gedetineerden naar de werkzalen gestuurd konden worden. De etagebewaarder had de broodmessen al opgehaald. Werken is voor onveroordeelden niet verplicht. De meeste gedetineerden gingen werken om van de cel af te zijn en wat geld te verdienen. Dan was er nog een grote groep gedetineerden die niet naar een werkzaal wilden omdat daar teveel werd gezeurd over het feit waarvan ze verdacht werden.
In de cel werken was beperkt mogelijk. Men maakte wasknijpers. Het ijzeren veertje werd dan aan de knijper gemonteerd. Ook werden ten behoeve van dakgolfplaten spijkers voorzien van een rubberen ringetje en een klein ijzeren plaatje en dan in een kartonnen koker verpakt. Een collega van de arbeid kwam ’s morgens langs de cellen en haalde de gemaakte spullen op. Hij gaf ook weer nieuw materiaal. Ik heb in de loop der jaren miljoenen wasknijpers en spijkers voorbij zien komen.

De gedetineerden die op de cel waren, konden door middel van bellen aangeven dat ze gebruik wilden maken van de wasplaats of toiletruimte. Wij wisten als bewaarders dat er door gedetineerden afspraken gemaakt werden in de zin van ‘’ Ik bel om tien uur, doe jij dat ook? Dan zien we elkaar wel op de wasplaats’’. Tegenwoordig zouden we de wasplaats daarom omschrijven als ‘hangplek’. Maar dat woord was in 1970 nog niet zo uitgevonden. Vaak werden ze door ons aangespoord om weer terug te gaan naar hun cel omdat ook andere gedetineerden hadden gebeld om naar de wasruimte te gaan. Het was eigenlijk een spel met twee doelstellingen. De bewaarder moest de rust, orde en veiligheid handhaven. De gedetineerde had als doelstelling om zo lang mogelijk uit zijn cel te zijn.

Rond tien uur was er de koffie of theeronde. De etagereiniger haalde de kannen voor zijn etage op en maakte samen met de etagebewaarder een ronde. De gedetineerde kon kiezen tussen koffie of thee. Gedurende de gehele dag werden er gedetineerden opgroepen om naar een bepaalde persoon of afdeling te gaan. Gedetineerden konden een spreekbriefje invullen om iemand te spreken. Deze briefjes werden door de etagebewaarder verzameld en in het postvakje van de vernoemde persoon gedeponeerd. Onder begeleiding van een bewaarder werden ze dan naar de persoon (bijvoorbeeld de dokter) of afdeling (bijvoorbeeld de bibliotheek) gebracht.
Er werd ’s morgens op een dagelijks variabel tijdstip in groepen gelucht.

De gedetineerden konden als ze wilden een uur naar de luchtplaats. Ook ’s middags was er weer een uur luchten. Tegen twaalf uur werd door de etagebewaarder het bestek op de cel gelegd. De gedetineerden die op de werkzalen werkten kwamen om twaalf uur terug naar hun cel. De etagereinigers haalden vanuit de keuken de vakken met etenspannetjes op en brachten deze naar hun etage. De pannetjes werden geplaatst op de etagekar. Celdeur voor celdeur werden deze pannetjes aan de gedetineerde gegeven. Regelmatig kwam het voor dat er pannen over waren omdat het eten niet gelust werd. Deze pannen mochten dan aan een andere gedetineerden worden gegeven die wat extra wilden. Meestal werd aangegeven door de gedetineerde ‘’Bewaarder geef mijn pan maar aan die persoon’’, en dit was dan zijn maatje. Ook op die manier wist je als bewaarder hoe de verhoudingen op je etage lagen. Om één uur klink weer het signaal dat de gedetineerden naar de werkzaal gestuurd konden worden. Het bestek en de etenspannen waren al ingenomen.

Rond drie uur was er een thee ronde. Tegen vijf uur kwamen de gedetineerden terug van de werkzalen. Half zes was de avondmaaltijd. De reinigers brachten de broodbakken en het broodbeleg naar de etage waar de etagebewaarder met de reiniger zijn ronde maakte. Er waren afgepaste porties beleg, en als de gedetineerde een speciaal dieet had voorgeschreven werd dit verstrekt. Er was koffie of thee en wit of bruin brood. Om de andere avond was er ’s avonds recreatie van zeven tot negen uur. De helft van de gedetineerden op de etages konden naar de recreatiezalen waar een TV stond. Er kon gespeeld worden op een paar tennistafels, damspelen, voetbalspeltafels, sjoelblokken en er werd gekaart met als inzet sigaretten .

Als ik dienst had en ’s avonds toezicht had op zo’n recreatiezaal, wist mijn vrouw als ik thuis kwam dat ik toezicht recreatie had gehad. Mijn uniform stonk namelijk naar sigarettenrook. De bewaarder met toezicht recreatie nam plaats, zodanig dat er geen gedetineerden achter zijn rug waren. Hij zat in de buurt van de alarmbel. Waren er calamiteiten dan werd er alarm geslagen. Collega’s van de etages stormden naar de ruimte waar het alarm was gegeven en handelden naar gelang van de situatie. Meestal was de situatie verbaal weer in het gareel te brengen. Bij vechtpartijen tussen gedetineerden werden ze naar hun cellen verwezen. De bewaarder die toezicht had maakte een rapport op van wat er gebeurd was. Dit rapport werd de andere dag afgehandeld door de directeur. Bij voetbalwedstrijden of TV maakte de directie meestal een uitzondering. De gehele gedetineerde bevolking kon naar de recreatiezalen om de gehele wedstrijd te zien, ook als die uitliep tot bijvoorbeeld tien uur.

Er waren dan zo’n 200 gedetineerden tegelijk uit de cel en ongeveer 25 bewaarders in dienst. Dit was zo’n avond waar een bewaarder achter een gesloten hekwerk zat met een pistool binnen handbereik. Nog nooit heb ik meegemaakt dat het verkeerd ging.
’s Avonds negen uur was het einde van de recreatie en werden de gedetineerden ingesloten. Dit was tevens het begin van de nachtdienst. Niemand mocht meer de cel uit. De collega’s van de nachtdienst (vier bewaarders) kwamen in dienst. De bewaarders van de avonddienst tot tien uur, deelden de medicatie uit op zijn etage. Met een lijst ging hij langs de cellen waarop stond wie welke medicijn kreeg. Bij sommige gedetineerden stond vermeld dat er controle moest plaatsvinden dat de medicatie ook daadwerkelijk werd ingenomen. Dit gebeurde door na de verstrekking even met de man te blijven praten en hem ook zijn mond open te laten doen. Ook stond vermeld welke middelen in een opgeloste vorm verstrekt moesten worden. De slaapmiddelen waren altijd vloeibaar, dit was Broom. Met een pipet moesten wij druppeltjes doseren in een glaasje water. Dit was bij iedere gedetineerde verschillend en volgens voorschrift van de gestichtstarts. Soms telden we de druppels wel eens verkeerd. Dit was geen ramp, we begonnen weer gewoon opnieuw te tellen in hetzelfde glas, en de gedetineerde sliep er goed op! Tegen tien uur ging de avonddienst naar huis, met een steevaste groet aan de collega’s van de nachtdienst: ‘’Een goede wacht!’’

De Cel

Nadat een gedetineerde door de post Inkomsten was gecontroleerd ging hij naar de cel. Maar hoe zag zo’n cel er in 1970 nou uit?

De celdeur was totaal ongeveer vier centimeter dik vurenhout.Opgebouwd uit planken van twee centimeter dikte. De deur was aan weerskanten geheel bekleed met staalplaat van ongeveer twee millimeter dik die door middel van klinknagels door en door vastgezet waren. In de deur bevond zich een ovale, ijzeren plaat, met ongeveer een diameter van 20 centimeter. Aan de celkant was deze plaat in de vorm van een kom. In het midden van deze kom zat een kijkglas met een klein draaiklepje ervoor (een diameter van ongeveer twee centimeter). Verder zat er in de deur een luikje wat open gezet kon worden door middel van een sleutel. Op dit luikje kon de etenspan en dergelijke gezet worden, dit werd in 1970 niet meer als zodanig gebruikt. Het eten werd aangereikt met geopende celdeur. Het luikje werd ‘’schaftklep’’ genoemd.
In de loop van 1980 werden alle oude celdeuren vervangen doorstalen deuren met een klein raampje van ongeveer 10×10 centimeter. Aan de buitenkant kwam daar een gordijntje voor te hangen. De cel had een oppervlakte van ongeveer 4×2,5 meter.

Op de vloer lag als vloerbedekking linoleum. Vóór 1970 was dit een stenen vloer door middel van tegels. Op de achterwand bevond zich het raam. Deze was verdeeld in drie lagen met elk vier kleinere raampjes. De raampjes waren gezet in een ijzeren profiel. De onderste twee lagen waren van matglas. Men kon hier niet doorheen kijken. De bovenste laag was van dik vensterglas. Men kon alleen de lucht zien, want aan de buitenkant was schuin een matglazen raam geplaatst, zodanig dat je alleen maar naar boven kon kijken. Achter deze raampjes bevonden zich de tralies. Elk ongeveer twee centimeter dik.

Onder het raam bevonden zich drie ijzeren kleppen met daarachter een rooster. Hier kon men frisse lucht de cel binnen laten komen, als deze roosters weer eens niet verstopt zaten met allerlei rommel. Langs de achterwand, dus de raamkant, iets hoger van de vloer, liepen over de volle lengte twee verwarmingsbuizen. Elk met ongeveer een diameter van tien centimeter. De buizen liepen door de muren van cel naar cel. Soms waren er gedetineerden die vooral ’s nachts lekker op die buizen lagen te tikken. Voor de bewaarders in de nachtdienst was het een hele tour om de daders op te sporen.

Ook ’s nachts tegen de celdeur stampen gebeurde regelmatig. Deze daders hadden we redelijk snel gevonden. Waar we het vermoeden hadden: ‘’Daar komt het geluid vandaan’’, legden we een lucifer op de klink van het celdeurslot. Was er dan ergens een lucifer gevallen, dan bleven we bij die celdeur wachten op een volgende trap tegen de deur. We hadden de dader dan op heterdaad betrapt. Hij kreeg dan een rapport terzake verstoring van de nachtrust. De directeur kon hiervoor een straf opleggen, meestal een paar dagen strafcel.

Nu verder met de beschrijving van een cel. Het plafond was halfrond gemetseld, en in vaktermen een zogenaamd tongewelf. De wanden bestonden uit metselwerk en waren geschilderd in een gebroken witte of grijze kleur. De inventaris bestond uit een ledikant (ijzer) met een schuimrubber matras. Er stond een laag houten nachtkastje met twee deurtjes en aan de zijkanten van dat kastje ronde stokken om handdoeken aan op te hangen. Verder een hoge houten hang/legkast met één deur. Binnenin de kast een vakverdeling met legplankjes.

Ook stond er een kleine houten tafel met houten stoel. Een prikbord aan de muur van ongeveer 40×60 centimeter,  bestemd voor foto’s en dergelijke. Er was een waterkan en een toiletpot. En om de zaak wat aan te kleden, een kokosmatje vóór de celdeur. In het algemeen waren de celwanden beplakt met plaatjes of brieven van thuis. Het beplakken werd oogluikend toegestaan, mits er geen tandpasta gebruikt werd om mee te plakken. Toegestaan werd, als plakmiddel, pulp van gekookte aardappel. De muren waren nu, naar verwijdering van de plaatjes, goed schoon te maken. Dit moesten de gedetineerden uiteraard zelf doen. Het gebeurde regelmatig dat iemand terug kwam van een rechtszitting, en onmiddellijk in vrijheid gesteld werd. Tussen het klaarmaken van zijn ontslagpapieren en het openen van zijn celdeuren zat in het algemeen behoorlijk wat tijd om die schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Via de financiële administratie kon de man de vrijheid weer tegemoet treden nadat hij zijn tegoed aan geld en persoonlijke bezittingen terug gekregen had.

Kantinewinkel

Deze winkel was een lokaaltje op de begane grond van ongeveer 5×4 meter en bevond zich in een doorgang van cellenvleugel A naar de B-vleugel. In de muur van dit lokaaltje was een doorgeefluik van ongeveer 1,5×1 meter. De gedetineerden konden met een door hem ingevulde bestellijst artikelen aankopen. Op de lijst was steeds door de financiële administratie aangegeven of hij voldoende geld op zijn rekening had staan. Het maximaal te besteden bedrag per week was toen 40 gulden.

De gedetineerden kwamen aan geld op hun rekening door:

  • Geld wat ze bij zich hadden komende vanuit het politiebureau
  • Geld wat overgemaakt werd door hun relaties
  • Geld wat ze verdienden door middel van werken op een werkzaal
  • Geld wat ze kregen van mede gedetineerden door middel van een overschrijving

In de winkel was voornamelijk het navolgende te koop: Diverse rookwaren, frisdrank, snoep, vacuüm verpakt beleg en toiletartikelen (geen spuitbussen). De winkel werd gedreven door een zelfstandig ondernemer. Bij het uitgifteloket stond een bewaarder (post winkel) die de bestellijsten had opgehaald bij de financiële administratie. Hij riep steeds via een etagebewaarder gedetineerden op (zo’n vier personen) om naar de winkel te sturen. En net als in de maatschappij gold: Geen geld op de rekening, niks kopen en ook niet poffen. De winkelier had door ervaring geleerd dat poffen gewoon betekende dat hij naar zijn centen kon fluiten (poffen in de bajess!!). De financiele administratie trok die aankopen van hun rekening af.

5 Responses to Het hele verhaal

  1. Harrie van Agt says:

    Hallo Toon, je ziet wel ik heb meteen gekeken, het is werkelijk een prachtige site, er staan wel enkele taalfouten in maar dat geeft niet.
    ik ga zeker binnen justitie bekendheid geven aan deze site.

    groeten Harrie van Agt ****** (justitie nummer)

  2. Therese says:

    Ja, zal oud collega’s ook attenderen op deze web site. Zelf kreeg ik vanavond de tip van een oud collega. Erg leuk……

    groetjes Therese

  3. Tom Casin says:

    Erg leuk om te lezen dit. Bedankt voor het delen van jouw ervaringen in het huis van bewaring. Vanuit de buitenwereld weten de meeste mensen niet hoe het eraan toe gaat binnen die betonnen muren. Ik ben de afgelopen half uur een stuk wijzer geworden wel vind ik dat gedetineerden het in Nederland nog goed hebben wat dat betreft vergeleken met gevangenissen in sommige andere landen. Daar hebben zij soms geen enkele mensenrechten.

    Groetjes

    Tom Casin

  4. Henk says:

    Hee Harrie,

    Leuk om terug te lezen wat we eigenlijk allemaal hebben gedaan om alles in goede banen te leiden, soms succesvol soms minder.
    Heb zelf ook wel enkele anekdotes uit de 36 jaar dat ik in den Haag;den Bosch:Vught en Tilburg werkzaam ben geweest.
    Misschien publiceer ik deze ook nog eens.

    Groeten Henk(ie)

Leave a Reply